Sprookjesopstellingen Narratief werken met opstellingen

Wij maken gebruik van de oeroude wijsheid van volkssprookjes in combinatie met de methodische werkwijze van opstellingen.


Sprookjesopstellingen Narratief werken met opstellingen

Tilburg
Netherlands
Contact Phone
P: 0031628540318
Website
www.sprookjesopstelllingen.nl

Description

www.sprookjesopstellingen.nl

Company Rating

204 FB users likes Sprookjesopstellingen Narratief werken met opstellingen, set it to 25 position in Likes Rating for Tilburg, Netherlands in Organization category

Prins Árgyilus en de mooie fee Ilona Er was eens een koning en die had drie zonen. De koning bezat een appelboom waar gouden appels aan groeiden. Die boom stond ’s nachts in bloei en tegen de ochtend waren de appels rijp. Zo verkreeg de koning zoveel gouden appels dat hij de rijkste man op aarde was geworden. Maar op een morgen was de boom leeg. De volgende dag ook, en de derde dag maakte hij bekend dat degene die erin zou slagen de gouden appels te bewaken beloond zou worden met de helft van zijn koninkrijk. Zijn trouwe hovelingen gingen alle op wacht staan onder de boom, maar tegen middernacht vielen zij in slaap en ’s ochtends waren alle gouden appels verdwenen. Ook de twee oudste koningszonen gingen de wacht houden, maar ook hun pogingen waren vergeefs. Tenslotte probeerde de jongste zoon Árgyilus zijn geluk. Toen ook hij slaperig begon te worden pakte hij zijn gouden tabaksdoosje, nam een snuifje van de tabak en moest zo niezen dat hij weer klaarwakker was. Juist op dat moment vlogen er dertien zwarte raven op de boom af. Árgyilus kon nog net een pootje te pakken krijgen van de eerste raaf waarop deze veranderde in een beeldschoon meisje, dit was de fee Ilona. Árgyilus was op slag verliefd op haar en vroeg haar bij hem te blijven. De fee Ilona kon echter alleen maar beloven dat zij de volgende nacht terug zou komen en de appels met rust zou laten. Toen veranderde zij weer in een raaf en vloog met de andere weg. De volgende ochtend was de koning heel erg blij dat al zijn appels er nog waren. Voortaan mocht Árgyilus de boom bewaken. Maar de nieuwsgierigheid van de koning was wel gewekt, daarom vroeg hij een lelijke heks uit het paleis om zijn zoon stiekem te begluren. De volgende avond hield de heks hen goed in de gaten. Toen de jongelui in elkaars armen in slaap waren gevallen, sneed zij een lok af van het haar van de fee. Ilona weende bittere tranen toen zij dit merkte bij het ontwaken. Feeën kunnen immers niet onder de mensen blijven als zij een haarlokje missen. Ilona nam voorgoed afscheid van Árgyilus, veranderde in een raaf en vloog weg. Maar Árgyilus ging op weg om haar te zoeken en haar te vragen zijn vrouw te worden. Hij reisde stad en land af maar kon zijn liefste nergens vinden. Hij ontmoette de koning der dieren, de eenogige reus, die hem niet kon helpen, maar wel al zijn dieren bij elkaar riep. De manke wolf wist wel waar de fee Ilona was en wees Árgyilus de weg. Hij vergezelde Árgyilus tot halverwege en vertelde hem daar dat de betovering van Ilona alleen gebroken zou kunnen worden door de fee driemaal te kussen. Árgyilus trok alleen verder en kwam al gauw een drietal duiveltjes tegen die ruzieden over een erfenis. Hun vader was gestorven en had hun een mantel, een paar sandalen en een zweep achtergelaten. Tezamen bezaten deze drie voorwerpen toverkracht. Árgyilus liet de duiveltjes een wedloop houden: wie won zou de erfenis in bezit mogen nemen. Toen zij wegrenden trok Árgyilus gauw de mantel en de sandalen aan, knalde met de zweep en zei: „Hip-hop, breng mij waar ik wil! Breng mij bij de fee Ilona.” En meteen was hij er, maar de fee zag hij niet, wel een boze heks. De heks vertelde hem dat hij Ilona pas om middernacht zou zien, als hij tenminste wakker wist blijven, want anders kon hij onverrichterzake naar huis terugkeren... Árgyilus ging liggen en wachtte op het middernachtelijk uur. Tegen twaalf uur blies de heks op haar toverfluit, waardoor Árgyilus in een zo diepe slaap viel, dat zelfs Ilona hem niet wakker kon krijgen. Dit gebeurde drie nachten achter elkaar. De vierde nacht viel de heks gelukkig ook in slaap. Toen de fee Ilona verscheen, kuste Árgyilus haar driemaal. De gouden haarlok van Ilona groeide weer aan en de betovering was verbroken. Árgyilus pakte Ilona stevig vast, knalde met de zweep en zei: „Hip-hop, breng mij waar ik wil! Breng mij naar mijn vaders huis.” En meteen waren zij in het koninklijk paleis. Iedereen was heel blij en er werd een grote bruiloft gehouden: het was immers een bijzondere gebeurtenis dat een prins en een fee met elkaar trouwden. Zij leefden nog lang en gelukkig.

Published on 2014-09-20 06:29:40 GMT

De driedaagse in Vlaanderen van 7,8 en 9 november is vol. Leuk dat mensen zo enthousiast zijn dat ze zich al twee maanden van tevoren hebben ingeschreven.

Published on 2014-09-17 15:52:17 GMT

HONGAARS SPROOKJE Waarom de eik vingerbladeren heeft Er was eens een keuterboer die veel kinderen had. Hij zorgde samen met zijn vrouw zo goed mogelijk voor hen. Een stukje eigen land bezat hij helaas niet en daarom moest hij als dagloner bij vreemden gaan werken. Het geld dat hij verdiende was nauwelijks genoeg om van te leven. "Hemel en hel!" vloekte de keuterboer op een dag, "alleen de duivel kan ons helpen!" De keuterboer had zijn woorden over de duivel niet zo ernstig gemeend, maar de duivel laat zich zoiets geen twee keer zeggen. Nauwelijks had de keuterboer deze woorden uitgesproken, of er stond een man voor hem, gekleed in jagerskleren: een vilten hoedje op zijn hoofd, een geweer over zijn schouder en zijn ene voet was een duivelspoot. "Wat wil je, mannetje?" vroeg de jagersman hem. De keuterboer schrok eerst vreselijk, omdat hij dadelijk wist, dat dit het gevolg was van zijn woorden. Toen raapte hij al zijn moed bij elkaar en antwoordde: "Je weet toch wat ik wil hebben. Een mooi stuk land, een paar paarden en een ploeg, zodat ik mijn vrouw en kinderen behoorlijk te eten kan geven." "Dat zul je krijgen," zei de jagersman. Hij wenkte met zijn hand en op tafel stond plotseling een kist vol goudstukken. "Hier kun je alles voor kopen, wat je hebben wilt, maar je moet me er wel iets voor teruggeven!" "En wat is dat?" vroeg de keuterboer. "Jezelf," zei de jager. "Over een half jaar kom ik je halen!" De keuterboer krabde zich achter zijn oor en zei: "Over een half jaar, dat is wel vlug! Dan kan ik mijn land niet eens bebouwen en er geen oogst vanaf halen. Weet je wat, kom me halen als de bladeren van de bomen vallen." "Goed," lachte de jagersman, "als alle bladeren van de bomen zijn gevallen haal ik je." En zoals hij gekomen was, verdween hij ook. Ineens was hij weg. Alleen de kist met goudstukken bleef op tafel staan. De vrouw van de keuterboer luisterde naar wat haar man vertelde, sloeg vlug een kruisje en zei: "Man, wat heb je gedaan?" Maar de keuterboer lachte en zei: "Wees niet bang vrouw. De duivel is slim, maar ik als arme keuterboer moet slimmer zijn, anders zal het slecht met me aflopen. Wacht maar af en je zult zien, wat er gebeurt." De lente was voorbij, de zomer was voorbij en de herfst begon. De keuterboer had al lang een prachtige oogst van zijn land gehaald en de kinderen hadden genoeg te eten. Het smaakte hen allemaal best, alleen de vrouw verloor haar eetlust. Voortdurend keek ze uit het raam, toen de bladeren geel werden en van de bomen dreigden te vallen. Het duurde niet lang of de bomen rondom hun huis waren helemaal kaal. En op een morgen stond daar plotseling de jagersman: op zijn hoofd het vilten hoedje, een geweer over zijn schouder en in plaats van een voet had hij een duivelspoot. "Ik kom je halen," sprak hij tegen de keuterboer. "De bladeren zijn allemaal afgevallen, je tijd is gekomen." Maar de keuterboer was niet bang, en zei: "De bladeren zijn al afgevallen, dat is waar. Maar niet allemaal. Kijk maar eens in het bos daar boven." En hij wees naar de heuvel achter zijn huisje. Daar stond een jonge eikenboom; de bladeren waren wel erg geel, maar ze zaten nog aan de boom. "Je hebt gezegd, dat je mij zou komen halen als alle bladeren van de bomen zijn gevallen. En zoals je zelf ziet, zijn ze er nog niet allemaal af. Kom nog maar een keer terug." "Daar kun je op rekenen," zei de jagersman. En zoals hij gekomen was, verdween hij. Plotseling was hij weg. Na een maand kwam hij weer. Overal lag al sneeuw, de kale bomen trilden in de wind, maar de jonge eikenboom op de heuvel had nog altijd genoeg bladeren. De keuterboer lachte. Hij wist heel goed, dat de eik zijn bladeren in de winter niet verliest en hij zei tegen de jagersman: "Zoals je ziet zijn alle bladeren nog niet afgevallen. Je zult veel later moeten komen." "Daar kun je op rekenen," knarste de jagersman. Toen de lente begon en het ijs verdwenen was, kwam hij voor de derde maal. De sneeuw was al weg, de bomen werden weer groen, maar aan de eik trilden nog altijd de bladeren van het vorig jaar. De keuterboer wees lachend op de eik: "Zoals je ziet, zijn ook nu niet alle bladeren van de bomen gevallen. En ze zullen ook niet meer afvallen. Kijk maar!" Tussen de laatste oude blaadjes groeiden alweer nieuwe bladeren. De duivel zag, dat de keuterboer hem voor de mal had gehouden. Nijdig prikte hij zijn vingers in de jonge bladeren om zo zijn woede af te reageren en plotseling was hij verdwenen. De keuterboer kwam er goed van af. Maar de eikenbladeren hielden tot op de dag van vandaag de herinnering. Voor die tijd hadden ze een mooie gladde rand gehad, maar sinds de duivel er met zijn vingers in geprikt heeft, zien ze er uit als vingers. Ondanks dat vallen de blaadjes pas af in de lente, als de nieuwe bladeren alweer beginnen te groeien. * * *

Published on 2014-05-03 17:18:51 GMT

Afgelopen weekend heb ik een leuke driedaagse met Sprookjesopstellingen in Vlaanderen begeleid. Omdat mijn Hongaarse collega verhinderd was heb ik nu samen gewerkt met een Nederlandse Collega: Jessy Cornet en dat is me erg goed bevallen. Mooi om te zien hoe deelnemers in die drie dagen in hun eigen tempo aan hun levensthema's kunnen werken omdat de structuur van het het sprookje hiervoor de bedding geeft. Mooi ook hoe de eigen levensverhalen synchroon gaan lopen met het verhaal van het sprookje. Dit smaakt naar meer bijvoorbeeld in Nederland.

Published on 2013-11-12 16:12:00 GMT

Sprookje : De hondenmarkt van Boedapest Een grappig verhaal uit Hongarije over een arme en een rijke boer Overal ter wereld, dus ook in Europa, trokken de mensen vroeger naar markten; jaarmarkten, rommelmarkten, bazaars, en hoe ze allemaal nog meer mogen heten. Maar geen markt heeft de mensen zo'n plezier bezorgd als die, welke slechts één enkele keer in Boedapest plaatsvond. In die tijd, aan het einde van de vijftiende eeuw, regeerde Matthias over Hongarije. Hij was een beroemd koning, misschien wel de beroemdste van alle Hongaarse koningen. Niet alleen door zijn strijd tegen de Turken, die sabelzwaaiend het avondland introkken kreeg hij grote bekendheid, maar ook door zijn wijze en verstandige regering, zijn gevoel voor rechtvaardigheid en bovenal door zijn onuitputtelijke humor. Ook de hondenmarkt in Boedapest, waar dit verhaal over gaat, was zijn werk, hoewel hij voorzichtig te werk moest gaan om de edelen, die zich veel te deftig voelden om er gevoel voor humor op na te houden, niet tegen zich in het harnas te jagen. Matthias had de gewoonte, incognito door zijn land te reizen, om te zien wat er zich afspeelde, maar vooral, wat er voor hem verborgen bleef. Zo kwam hij op een dag, verkleed als huzaar, in de laagvlakte van Alföld - en wat zag hij daar? Op een veld was een dikke man aan het ploegen, met zes ossen voor de ploeg gespannen. Het werk vorderde zo snel, dat het een plezier was ernaar te kijken. Op het veld naast hem was een arme sloeber zich op een steenachtig braak stuk grond aan het afbeulen, happend naar adem. Hij had zichzelf voor de ploeg gespannen en kwam slechts moeizaam vooruit. Dat beviel de koning niet. Hij zei dus tot de boer: "Ik zie, dat je werk bijna klaar is, leen daarom twee van je ossen aan je buurman uit, want hij kan zich nog nauwelijks op de been houden!" "Wat gaat mij dat aan?" snauwde de dikzak. "Zo'n armoedzaaier kan mij immers niets betalen. En jij, huzaar, bemoei je liever met je sabel, voordat hij gaat roesten!" Matthias schudde zijn hoofd en liep naar de arme boer toe. Geruime tijd bleef hij bij hem, en samen voerden ze fluisterend zo'n lang gesprek, dat de dikzak wantrouwende blikken in hun richting wierp. Miklós bezat slechts het hoognodige, net genoeg om niet te verhongeren. Daarom was de rijke Janos stomverbaasd, toen zijn arme buurman zich uit de ploeg bevrijdde en naar huis rende, alsof de duivel hem op de hielen zat. "Die is niet goed snik," zei de rijkaard. "Wat is dat voor iets, om op de vroege ochtend zo maar van het veld weg te lopen?" Maar toen hij 's avonds thuiskwam, liep zijn vrouw hem opgewonden tegemoet, en riep: "Moet je horen, Janos, wat die Miklós nu heeft uitgehaald!" "Nu, vertel op." "Hij heeft zijn huis, met alles wat erbij hoort, verkocht en voor het geld heeft hij in het dorp alle honden opgekocht: Broka, Reka, Vorecha, Habakuba... en ook onze Anduia heb ik voor een goede prijs van de hand gedaan!" "Nu, vertel verder," zei de boer ongeduldig, en wreef zich daarbij in zijn handen. "Toen is hij met de honden naar Boedapest vertrokken!" Janos' vrouw had het inderdaad bij het rechte eind! Miklós ging naar Boedapest, op aanraden van de koning. Het valt te begrijpen, dat het geen gemakkelijke weg was. Om ieder dorp en om iedere alleenstaande boerderij moest hij met een grote boog heenlopen, opdat de meute geen schade zou kunnen aanrichten. Kort voor de ochtendschemering bereikte hij de stad en nauwelijks door de poort gekomen, werd hij door de honden direkt naar de markt gedreven. En toen hij uit zijn knapzak een heerlijk geurend stuk spek pakte, begonnen de honden zo hard en vrolijk te blaffen, dat alle burgers in Boedapest nieuwsgierig de vensters openden en hun neus naar buiten staken. Maar niet alleen op de markt, ook op het kasteel van de koning was het hondengeblaf te horen. Koning Matthias hoorde het in zijn slaap. Onmiddellijk sprong hij zijn bed uit, riep zijn bedienden en gaf bevel, zijn baronnen, graven en adellijke heren te roepen. En allen kwamen, schitterend gekleed en opgedoft, en brandend nieuwsgierig wat de aanleiding tot deze vroegtijdige bijeenkomst zou zijn. De een vermoedde, dat de Turken Boedapest weer bestormden, de ander dacht weer aan iets anders, maar Koning Matthias maakte aan alle twijfels een einde, toen hij zei: "Hoogwelgeboren heren. Ik heb de eer, u voor een schouwspel uit te nodigen, waaraan u zeker veel genoegen zult beleven en waar alle koningen van Europa u om zullen benijden. Vergeet echter niet, uw geldbuidel mee te nemen, en nu, volg mij!" Matthias ging de hoge heren voor naar de markt en bracht hen rechtstreeks naar de blaffende honden. "Welnu, mijne heren," riep hij vrolijk, "dit is een unieke gelegenheid. Ik verwacht, dat ieder van u zich een hond zal uitzoeken en, als ik u een goede raad mag geven, neemt u dan een lelijke, zoals de hofetiquette voorschrijft - en heren, wees niet karig met de beloning!" De hoogwelgeborenen trokken een gezicht als een donderwolk! Maar daar pakte Matthias al een foeilelijke en nijdasserige hond, met een ingescheurde oorlel die voor zijn ogen hing. Hij ledigde zijn geldbuidel en overhandigde de inhoud aan Miklós. Nu stortten allen zich op de honden, en ze zouden misschien nog slaags zijn geraakt, wie het lelijkste dier kon bemachtigen, als hun voorname afkomst dat niet had belet. Miklós had werkelijk geen klagen, want iedere edelman kocht minstens een of twee honden bij hem. Dat Matthias een geweldig plezier aan de hondenmarkt beleefde, hoeft geen betoog. Toen Miklós tenslotte met zijn knapzak vol goud uit Boedapest terugkeerde en meteen de grootste boerderij kocht, vertelde hij Janos triomfantelijk hoe gemakkelijk hij aan het geld was gekomen. "Wacht maar, mijn tijd komt ook," dacht deze bij zichzelf, en de rest van de dag bracht hij door met zijn hele hebben en houden aan de man te brengen; te beginnen bij de ossen en te eindigen met het paprikaveld. En net als Miklós kocht ook hij van de opbrengst honden, de laatste die hij in het dorp nog kon bemachtigen. Toen hij te Boedapest kwam was het middaguur reeds aangebroken en de markt was nog in volle gang. Het was niet eenvoudig, met de woedend springende en blaffende honden nog een plaatsje te vinden. Alleen een portiek bij de kerk was nog vrij. Dus begon hij daar zijn waar te koop aan te bieden, maar onder de honden ontstond zo'n vechtpartij en zo'n chaos, dat de hele markt erdoor in beroering werd gebracht. Rieten manden met eieren, paprika's, tomaten, meloenen, kruiken, potten en pannen... alles rolde over de straatstenen, terwijl de honden als een dolgeworden, onontwarbare kluwen over het plein rolde. Daar kwamen de marktvrouwen aanlopen, met hazelaarstwijgen en stokken in de hand. En doordat Janos zijn koopwaar met zijn lichaam wilde beschermen, was zijn rug in een mum van tijd blauwgeslagen. Het lawaai trok ook de aandacht van de koninklijke gerechtsdienaren. Ze rukten aan, met piek en hellebaard, om de rust en orde op de markt te herstellen. Toen ze de aanleiding van de chaos ontdekten, maakten ze korte metten, pakten de dikzak in zijn kraag en sleepten hem naar de stadspoort. Janos jammerde: "Laat me toch los! Ik wil immers alleen maar op de markt mijn honden aan de koning en de hoogwelgeboren heren verkopen, zoals Miklós een week geleden heeft gedaan. Of was hier soms helemaal geen hondenmarkt?" "Was! Dat heb je goed gezegd," antwoordde de korporaal. "Maar die hondenmarkt was hier maar één keer. En voor een tweede maal wordt hij niet meer gehouden, zo heeft onze koning Matthias verkondigd." En met deze woorden gaven ze de dikzak een stevige trap en transporteerden hem zo de stad uit!

Published on 2013-06-20 20:52:29 GMT

Daar waar je struikelt ligt je schat (Campbell) Bij elke stap in het avontuur van de held wordt duidelijk welke ervaring, welke verandering de held moet doormaken om het doel van de reis te kunnen voltooien: Durf ik dit avontuur wel aan te gaan? Wat houdt me tegen? Wat biedt me meer houvast; het zekere ongemak van de huidige situatie of het onzekere gemak van een zinvolle verandering of verbetering? Wie of wat kan me helpen op mijn avontuur? Hoe ga ik om met alle beproevingen die ik tegenkom? Wat is mijn weg in het leven of in mijn werk? Wat laat ik achter en hoe kom ik terug? Als hij of zij het avontuur van de held gaat, zal de held: Verantwoordelijkheid leren nemen voor zijn of haar eigen proces Zijn eigen weg leren gaan De moed ontwikkelen om te vertrekken en zijn hulpbronnen leren vinden en benutten Leren omgaan en aangaan van schaduwen en tegenslagen Zijn elixer ontdekken En zijn potentieel leren benutten door een hoger doel te dienen

Published on 2013-06-18 09:53:19 GMT

Wat is het verschil tussen een volkssprookje en een kunstsprookje? Een volkssprookje is - vaak in de loop der eeuwen - ontstaan en gegroeid in de mondelinge overlevering. Een kunstsprookje is door een schrijver - bij wijze van spreken in één keer - achter zijn bureau verzonnen en opgeschreven. Hans Christian Andersen heeft voornamelijk kunstsprookjes geschreven: ze komen doorgaans niet uit de mondelinge traditie. Voorbeelden: Het Lelijke Jonge Eendje, het Meisje met de Zwavelstokjes, de Kleine Zeemeermin. In het verleden is er door volkskundigen weinig onderzoek gedaan naar kunstsprookjes, omdat ze meer tot de letterkunde behoorden dan tot de mondelinge traditie. Nu kan men het strenge onderscheid wel wat relativeren. In bepaalde gevallen blijken volkssprookjes toch een schriftelijke oorsprong te hebben (zoals de Dans in de Doornstruik), en het is in elk geval niet zo, dat ze louter in de mondelinge overlevering hebben gecirculeerd. Ook later opgetekende en literair bewerkte versies van sprookjes (zoals door Charles Perrault en door de gebroeders Grimm) zijn een schakel in de transmissie geweest en hebben de sprookjes levend gehouden.

Published on 2014-04-19 21:00:00 GMT

Campbell (1949) schrijft in zijn ‘held met de duizend gezichten’, dat mensen zichzelf pogen waar te maken door het avontuur met het onbekende aan te gaan. De verhalen daarover gaan niet over rauwe feitelijkheden, maar de gebeurtenissen worden geromantiseerd en doen als mythe de ronde. De held met de duizend gezichten (het kind op weg naar volwassenheid) moet zich (naar het geloof van onze (en misschien van alle tijden) wel losmaken van de veilige bescherming van de moeder en naar buiten treden. De levensverhalen, de queesten, die daardoor ontstaan behoren tot de oude en de moderne mythevorming, die waar en geloofwaardig gemaakt wordt door de mensen die er naar leven. Vandaar dat mythen moeten evolueren om hun functie van eigentijds zicht op de werkelijkheid te behouden.